Het nieuwe Burgerlijk Wetboek: De quasi-immuniteit van de onderaannemer op de schop?

Home  /  Knowledge sharing  /  Blog  /  Het nieuwe Burgerlijk Wetboek: De quasi-immuniteit van de onderaannemer op de schop?

Het nieuwe Burgerlijk Wetboek: De quasi-immuniteit van de onderaannemer op de schop?

Aansprakelijkheid kan voortvloeien uit enerzijds de miskenning van contractuele verbintenissen en anderzijds uit een onrechtmatige daad. Beide aansprakelijkheidsregimes worden thans beheerst door andere regels vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek. Zo zijn de artikelen 1146 – 1155 van het Burgerlijk Wetboek, al dan niet gecombineerd met specifieke wettelijke bepalingen afhankelijk van het soort overeenkomst, van toepassing op de contractuele aansprakelijkheid en de artikelen 1382 – 1386bis B.W. op de buitencontractuele aansprakelijkheid.

In het Belgische recht geldt thans (nog) een relatief samenloopverbod tussen een contractuele en een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering. Dit verbod spruit voort uit vaststaande rechtspraak en rechtsleer, maar werd nooit wettelijk vastgelegd.

Dergelijke samenloop zou zich kunnen voordoen wanneer een contractpartij niet alleen een inbreuk pleegt op een contractuele verbintenis, maar hierdoor tevens de algemene zorgvuldigheidsplicht schendt die op eenieder rust.  De andere contractspartij die hierdoor schade lijdt mag in principe, ingevolge het samenloopverbod, geen beroep doen op de regels inzake buitencontractuele aansprakelijkheid. Hiervan kan slechts worden afgeweken zo de fout een tekortkoming uitmaakt van de algemene zorgvuldigheidsplicht én de schade die hieruit voortvloeit andere schade is dan diegene die te wijten is aan de slechte uitvoering van de overeenkomst. Beide voorwaarden moeten cumulatief zijn vervuld om te kunnen afwijken van het samenloopverbod. Dan wel wanneer de contractuele wanprestatie tegelijk gekwalificeerd kan worden als een misdrijf.

In het aannemingsrecht leidt dit cumulverbod vaak tot een ongunstige positie voor de bouwheer wanneer zijn (hoofd)aannemer beroep doet op een onderaannemer om de werken (of een gedeelte ervan) uit te voeren. In dit geval kan de bouwheer geen rechtstreekse vordering instellen tegen deze onderaannemer. Immers de bouwheer heeft een contractuele band met zijn (hoofd)aannemer, doch niet met diens onderaannemer. De relatie met de onderaannemer is aldus in principe één van buitencontractuele aard. Evenwel voert deze onderaannemer werken uit die vervat zitten in de overeenkomst tussen bouwheer en (hoofd)aannemer, derwijze dat de schade die wordt veroorzaakt door deze onderaannemer, vaak schade is die te wijten is aan de slechte uitvoering van contractueel overeengekomen werken. Ingevolge het cumulverbod kan de bouwheer in dat geval geen rechtstreekse vordering instellen tegen de onderaannemer van zijn (hoofd)aannemer op grond van diens buitencontractuele aansprakelijkheid, maar kan hij zich enkel richten tot deze (hoofd)aannemer die zijn rechtstreekse contractspartij is op grond van diens contractuele aansprakelijkheid. 

Dit principe staat gekend als de quasi-immuniteit van de onderaannemer of uitvoeringsagent

De aangekondigde en aan de gang zijnde hervormingen van het Burgerlijk Wetboek zouden evenwel een einde stellen aan dit cumulverbod en bijgevolg ook aan de quasi-immuniteit van de onderaannemer of uitvoeringsagent. 

In het nieuwe Burgerlijk Wetboek zou een Boek 5 “Verbintenissen” worden ingevoerd en een Boek 6 “Buitencontractuele Aansprakelijkheid”.

Het Voorontwerp van wet houdende invoeging van de bepalingen betreffende buitencontractuele aansprakelijkheid in het Burgerlijk Wetboek (versie dd. 1 augustus 2019 - hierna “het Voorontwerp”) en bijhorende memorie van toelichting voorzien vooreerst in een keuzemogelijkheid tussen beide aansprakelijkheidsregimes (artikel 5.143, eerste lid): “De benadeelde mag zich jegens een medecontractant beroepen op de buitencontractuele aansprakelijkheid tenzij deze mogelijkheid wettelijk of contractueel is uitgesloten.”  Dit zou strikt genomen betekenen dat de bouwheer zich ook in relatie met zijn (hoofd)aannemer zou kunnen beroepen op de regels van buitencontractuele aansprakelijkheid.

Dit principe wordt evenwel getemperd door het tweede lid van datzelfde artikel, hetwelk stelt dat wanneer het herstel wordt gevorderd van schade die haar oorzaak vindt in de niet-nakoming van een contractuele verbintenis, de bijzondere wettelijke bepalingen inzake verbintenissen en de specifieke contractuele bedingen voorrang hebben op de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid.

Het Voorontwerp bevat verder geen bepaling die hulppersonen of uitvoeringsagenten, zoals bv. onderaannemers, zouden beschermen tegen een buitencontractuele vordering vanwege de bouwheer voor fouten begaan in de uitvoering der werken. Bijgevolg zou dit betekenen dat onderaannemers thans ook rechtstreeks en op buitencontractuele grond zouden kunnen worden aangesproken door de bouwheer. 

Wel voorziet het Voorontwerp in dat geval in een bescherming voor deze hulppersonen, waarbij deze uitdrukkelijk de mogelijkheid krijgen op zich te beroepen op exoneratiebedingen die werden overeengekomen tussen bouwheer en (hoofd)aannemer in de hoofdovereenkomst (zie hieromtrent artikel 5.92, §2 van het Voorontwerp).

Hoewel het wachten blijft op een verder definitief wetsvoorstel en de uiteindelijke wet waarbij het desbetreffende Boek 6 wordt ingevoegd, mag aldus verwacht worden dat in de toekomst komaf zal worden gemaakt van het cumulverbod en bijhorende quasi-immuniteit van uitvoeringsagenten zoals bv. onderaannemers, hetgeen bijkomende procedurele mogelijkheden zou verschaffen voor de bouwheer.

Van zodra deze wijzigingen effectief doorgevoerd worden, komt het er aldus voor bouwactoren en zeker onderaannemers op aan om hun (onder)aannemingsovereenkomsten of andere contractuele bepalingen zoals bv. algemene voorwaarden hieraan aan te passen.

Voor meer informatie kan u steeds terecht bij Vicky Verlent.