Hof van Cassatie spreekt zich uit over een verzekeringskwestie inzake mede-eigendom

Home  /  Knowledge sharing  /  Blog  /  Hof van Cassatie spreekt zich uit over een verzekeringskwestie inzake mede-eigendom

Hof van Cassatie spreekt zich uit over een verzekeringskwestie inzake mede-eigendom

Op 12 april 2021 heeft het Hof van Cassatie zich uitgesproken over een interessante verzekeringskwestie inzake mede-eigendom. 

De conclusie waartoe het Hof is gekomen, is de volgende. 

Wanneer een mede-eigenaar van een onroerend goed, dat in onverdeeldheid eigendom is van verschillende mede-eigenaars, de volledige waarde van het gebouw laat verzekeren tegen brand en een premie heeft betaald die overeenstemt met een dekking van het risico voor het gehele gebouw, zal de verzekeraar in geval van schade niet alleen dekking verlenen aan de mede-eigenaar-verzekeringnemer maar ook aan de andere mede-eigenaars van het gebouw. 

Conform artikel 22 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst van 25 juni 1992, BS 20 augustus 1992 (huidig artikel 77 van de Verzekeringswet van 4 april 2014, BS 30 april 2014), zoals deze op het geschil ten gronde van toepassing is, kunnen partijen ten allen tijde overeenkomen dat een derde, onder de voorwaarden die zij bepalen, aanspraak kan hebben op de voordelen uit de verzekeringsovereenkomst. Dit is een beding ten behoeve van een derde. De derde moet niet aangeduid zijn of zelfs niet verwekt zijn op het ogenblik dat het beding wordt opgenomen, hij moet wel aanwijsbaar zijn op de dag dat de verzekeringsprestaties opeisbaar zijn. 

Verder kan volgens artikel 38, eerste lid van dezelfde wet (huidig artikel 92 van de Verzekeringswet van 4 april 2014, BS 30 april 2014), de persoon die in geval van schade aantoont belang te hebben bij het verzekerde, aanzien worden als een verzekerde. 

In het geschil dat aanleiding gaf tot de voorziening in cassatie, hadden mede-eigenaars in eigen naam een brandverzekeringovereenkomst afgesloten voor een onverdeeld onroerend goed, zonder expliciet te vermelden dat zij niet de enige mede-eigenaars waren. Uit artikel 1165 Oud Burgerlijk Wetboek (huidig artikel  volgt dat deze overeenkomst slechts gevolgen kan hebben tussen partijen, m.a.w. dat er slechts dekking verleend wordt voor het aandeel van de verzekeringnemer in de mede-eigendom, tenzij uit de verzekeringsovereenkomst blijkt dat de verzekeringnemer voor rekening van (een) derde(n) heeft gehandeld (cfr. artikel 38, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst). 

Het Hof van Cassatie oordeelt dat in het geval:

(1) een mede-eigenaar van een onverdeeld onroerend goed,

(2) in zijn eigen naam een brandverzekeringsovereenkomst afsluit voor het gehele goed – en niet alleen voor zijn eigen aandeel -,

(3) en premies betaalt die berekend zijn op de volledige waarde van het onverdeelde onroerend goed,

deze mede-eigenaar niet alleen heeft bedongen voor zichzelf, conform artikel 38, eerste lid van Wet Landverzekeringsovereenkomst maar ook voor de alle andere mede-eigenaars van de onverdeelde eigendom. De verzekeraar moet bijgevolg eveneens dekking bieden aan de overige mede-eigenaars, ondanks het feit dat hij aanvankelijk geen weet had van hun bestaan, omdat zij geen deel uitmaakten van de overeenkomst. 

Besluit: ook de mede-eigenaars van een onroerend goed die niet mee de verzekeringspolis onderschreven, en dus derden zijn t.o.v. deze overeenkomst, genieten voluit van de verzekeringsdekking als gevolg van de polis die door één mede-eigenaar is aangegaan voor het volledige onroerend goed. 

Heeft u vastgoed gerelateerde vragen? Contacteer onze specialisten Steven Slachmuylders en Melanie Geerts.