Kwijtschelding restschulden na faillissement

Home  /  Knowledge sharing  /  Blog  /  Kwijtschelding restschulden na faillissement

Kwijtschelding restschulden na faillissement

Tot voor kort schreef het Wetboek van Economisch Recht voor dat een gefailleerde natuurlijke persoon die zijn verzoek tot kwijtschelding van de restschulden niet indient binnen de 3 maanden na bekendmaking van het faillissementsvonnis, zijn recht op die kwijtschelding onherroepelijk kwijt was.

In haar arrest van 21 oktober 2021 heet het Grondwettelijk Hof deze voorwaarde vernietigd wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Het verzoekschrift op een later tijdstip indienen, is dus voortaan toegestaan. Maar de rechtbank moet er wel over kunnen oordelen ‘uiterlijk in het vonnis houdende sluiting van het faillissement’.

Het Hof argumenteert dat ondanks dat de wetgever m.b.t. vervaltermijnen over een ruime beoordelingsbevoegdheid moet kunnen beschikken, uit de parlementaire voorbereiding niet blijkt waarom de wetgever ervoor heeft gekozen de uitspraak over de kwijtschelding van restschulden afhankelijk te maken van een uitdrukkelijk verzoek van de gefailleerde, noch waarom hij dat verzoek aan een vervaltermijn onderwerpt. Bovendien houdt de wetgever er geen rekening mee dat de noodzaak van de kwijtschelding pas later tot uiting zou kunnen komen. Een natuurlijke gefailleerde persoon verliest evenwel het recht op kwijtschelding van de restschulden wanneer hij het verzoek daarvoor niet tijdig heeft neergelegd. Een vormvereiste die de door de wetgever nagestreefde doelstelling om het tweedekansondernemerschap te bevorderen (die als essentieel wordt beschouwd) in het gedrang brengt.

Het tijdstip waarop de gefailleerde om kwijtschelding verzoekt, heeft bovendien geen enkele invloed op het beheer van de boedel, de aangifte en de verificatie van de schuldvorderingen of de vereffening van het faillissement. 

Het overschrijden van de vervaltermijn heeft tot slot onevenredige gevolgen voor de gefailleerde natuurlijke persoon die daardoor elke mogelijkheid verliest om een rechter over de kwijtschelding van zijn restschulden te laten oordelen en daardoor onherroepelijk met zijn volledige vermogen moet blijven instaan voor de schulden die niet zijn afgelost door de vereffening van de boedel. 

Voor meer informatie hieromtrent, contacteer Kristiaan Caluwaerts en Federico Wuyts.