Omgevingsvergunning in een ‘landschappelijk waardevol gebied’?

Home  /  Knowledge sharing  /  Blog  /  Omgevingsvergunning in een ‘landschappelijk waardevol gebied’?

Omgevingsvergunning in een ‘landschappelijk waardevol gebied’?

Het Grondwettelijk Hof vernietigt de nieuwe (soepelere) regelgeving.

In een arrest van 17 oktober 2019 heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 94 vernietigd van de zogenaamde ‘Codextrein’ (d.i. het decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving). Dit artikel voegde een artikel 5.7.1 toe aan de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (‘VCRO’), dat een regeling invoerde dat de vergunningverlenende overheid verplichtte om bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag voor werken of handelingen in landschappelijk waardevol gebied (‘LWAG’) rekening te houden met de – al in het gebied aanwezige – karakteristieke landschapselementen en landschapsopbouw. 

Dit impliceerde dat de vergunningsaanvrager diende aan te tonen dat het project dat hij wenste te ontwikkelen, landschappelijk inpasbaar was. 

Dit kon hij aantonen met o.a.:

  • maatregelen ter bevordering van de integratie in het landschap. Meer bepaald op het vlak van inplanting, gabarit, architectuur, materiaalkeuze en landschapsinkleding.
  • een referentie naar de landschapskenmerken uit de vastgestelde Landschapsatlas van het Agentschap Onroerend Erfgoed; of 
  • een descriptie van de clusters van bedrijvencomplexen, verspreide bebouwing en lijninfrastructuur (wegen, waterlopen, hoogspanningsleidingen, masten...) die al in het gebied aanwezig zijn.






Een tiental milieuverenigingen meenden echter dat voormelde ‘decretale verduidelijking’ neerkwam op het geven van een ‘eigen’ interpretatie aan het begrip ‘schoonheidswaarde van het landschap’. 

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat om de bestemming van een gebied te kunnen wijzigen, normaliter een ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) moet worden opgemaakt, wat vanzelfsprekend gepaard gaat met een openbaar onderzoek, waarbij alle belanghebbenden gebeurlijk hun recht op inspraak kunnen uitoefenen.

Aangezien artikel 5.7.1 werd toegevoegd aan de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) via de zogenaamde ‘Codextrein’, konden de belanghebbenden echter hun recht op inspraak niet uitoefenen.

Het Grondwettelijk Hof diende dan ook te besluiten dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, met als gevolg dat ze de vernietiging van artikel 94 van de Codextrein uitsprak, dat via het nieuwe artikel 5.7.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), het gemakkelijker maakte om een omgevingsvergunning toe te kennen in landschappelijk waardevol gebied. Dit vernietigingsarrest heeft dan ook als gevolg dat de oorspronkelijke (strengere) regeling van vóór de inwerkingtreding van Codextrein opnieuw van toepassing is en de nieuwe (maar ook lopende) projectaanvragen hieraan dienen te beantwoorden.

Contacteer Mtr. Kobe Ghysels en Mtr. Yannick Grauwels voor meer informatie.