Blijf op de hoogte!
Wenst u op de hoogte te blijven van de laatste inzichten van Caluwaerts Uytterhoeven, bezorg ons dan uw gegevens via het formulier hieronder.
Met het arrest nr. 122/2025 van 18 september 2025 zette het Grondwettelijk Hof een punt achter een slepend juridisch steekspel tussen decreetgever en rechter. De gevolgen zijn onmiddellijk voelbaar. Gemeentelijke projecten die sinds 20 mei 2024 werden vergund op basis van een eenvoudige screeningsnota en zonder volwaardig milieueffectenrapport, blijken kwetsbaar. De kern van het arrest is duidelijk. De aanvrager mag niet zelf beoordelen of een milieueffectenrapport nodig is.
De opwarming van het debat rond autonomie en onafhankelijkheid
De voorgeschiedenis begint bij artikel 15/1 van het Omgevingsvergunningsdecreet. Die bepaling regelde al dat wanneer een bestuur zelf optreedt als initiatiefnemer van een project met MER-plicht, de beoordeling niet kan gebeuren door datzelfde bestuur. Voor gemeentelijke projecten moest de deputatie beslissen, voor provinciale projecten de Vlaamse Regering. De Raad voor Vergunningsbetwistingen trok deze redenering in 2022 door naar projecten die slechts screeningsplichtig waren. De Raad van State legde hierover een vraag voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dat Hof bevestigde in mei 2025 dat artikel 9bis van de MER-richtlijn ook geldt bij screenings en dat er een werkelijke autonomie moet zijn tussen aanvrager en beoordelaar. De Vlaamse decreetgever probeerde dit ondertussen te omzeilen door in april 2024 door de omgevingsambtenaar meer autonomie op papier te geven en expliciet vast te leggen dat bij een screeningsnota de omgevingsambtenaar binnen hetzelfde bestuur bevoegd bleef.
Het arrest van het Grondwettelijk Hof
Het Grondwettelijk Hof heeft die bepaling nu vernietigd. Volgens het Hof ontbraken de structurele waarborgen om de vereiste scheiding tussen aanvrager en beoordelaar te garanderen. Een gemeentelijke of provinciale omgevingsambtenaar kan niet als voldoende autonoom worden beschouwd wanneer hij binnen hetzelfde bestuur werkt dat ook initiatiefnemer is. Belangrijk is dat het Hof de gevolgen van de vernietiging niet heeft gehandhaafd. Het stelt dat enkel het Hof van Justitie van de EU in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid heeft om Unierechtelijke onverenigbaarheden tijdelijk te laten voortbestaan. Omdat het toepassingsgebied van de vernietigde bepaling bovendien beperkt was tot aanvragen na 20 mei 2024 en tot gevallen waarin het bestuur zelf initiatiefnemer is, vond het Hof een algemene handhaving niet verantwoord.
Wat betekent dit concreet
1. Nieuwe beroepstermijn
Dat betekent dat gemeentelijke projecten die sinds mei 2024 door een gemeentelijke omgevingsambtenaar zijn beoordeeld zonder MER, geen solide juridische basis meer hebben. Omgevingsvergunningen die op die manier tot stand kwamen, kunnen onderuitgehaald worden door belanghebbende. Deze belanghebbende beschikken over een bijkomende waarborg via artikel 18 van de Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof. Dat artikel bepaalt dat, ook al zijn de gewone beroepstermijnen verstreken, er binnen zes maanden na de bekendmaking van het vernietigingsarrest in het Belgisch Staatsblad alsnog administratief of jurisdictioneel beroep kan worden ingesteld tegen beslissingen die steunden op de vernietigde bepaling. Hierdoor komen ook "oudere" projecten die schijnbaar definitief waren, opnieuw in de gevarenzone.
Ter illustratie:
De bouw van een gemeentelijke basisschool dat door het College van Burgemeester en Schepenen in januari 2025 werd vergund en waarvan de ruwbouw werken reeds van werden aangevat, komen nu onder vuur te staan. Dergelijke projecten bevatten principieel een project – M.E.R. screeningsnota, die conform 15/1, derde lid OVD, door de gemeentelijke omgevingsambtenaar zou moeten zijn beoordeeld. Deze beoordeling blijkt nu onvoldoende autonoom te zijn genomen waardoor in beginsel een nieuwe vergunningsaanvraag zal moeten worden ingediend bij de deputatie.
2. De decreetgever op de vingers getikt
Het vernietigingsarrest van 18 september 2025 opent niet enkel de deur voor nieuwe administratieve of jurisdictionele beroepen, maar werpt ook de vraag op naar de aansprakelijkheid van de wetgever. Gemeenten die in vertrouwen op artikel 5 van het decreet van 19 april 2024 eigen projecten hebben laten beoordelen door hun omgevingsambtenaar, zien die omgevingsvergunningen nu onderuitgaan. Zij kunnen zich beroepen op de rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake overheidsaansprakelijkheid, met name het arrest van 5 september 2025 over de Fairness Tax. Daarin bevestigde Cassatie dat de wetgever aansprakelijk kan zijn voor schade die voortvloeit uit de vaststelling van een ongrondwettige of met Unierecht strijdige norm.
Dit betekent concreet in het kader van de MER-screeningsregeling dat de decreetgever, ondanks duidelijke signalen uit eerdere rechtspraak en uit de MER-richtlijn, toch bewust koos voor een constructie die strijdig was met artikel 9bis. Gemeenten die hun projecten in volle vertrouwen hebben doorgedrukt en nu geconfronteerd worden met vertragingen en bijkomende kosten , zouden in dat kader een vordering tot schadevergoeding tegen de Vlaamse decreetgever kunnen overwegen.
De slotsom: Fictieve autonomie is onvoldoende
Het arrest van 18 september 2025 bevestigt ten slotte een eenvoudige regel, m.n. dat de aanvrager en de beoordelaar niet vervlochten mogen zijn binnen dezelfde organisatie als er geen werkelijke autonomie bestaat. Wat decreetgever en lokale besturen ook geprobeerd hebben, de Europese rechtspraak en nu ook het Grondwettelijk Hof hebben de krijtlijnen scherp getrokken. Gemeenten en provincies zullen hun procedures moeten aanpassen en tal van projecten riskeren hertekening of procedurele vertraging.
Bijlage
Artikel van de Tijd
Arrest van het Grondwettelijk Hof
Vind hier het arrest nr 122/2025 van het Grondwettelijk Hof
Wenst u op de hoogte te blijven van de laatste inzichten van Caluwaerts Uytterhoeven, bezorg ons dan uw gegevens via het formulier hieronder.