Het Hof van Cassatie verduidelijkt dat de verjaringstermijn voor vorderingen op grond van verzekeringsovereenkomsten wel degelijk vatbaar zijn voor schorsing en stuiting

Juridische inzichten
18/05/2026
3 min read
ESG
Terug naar het overzicht

In een recent arrest van 23 april 2026 bevestigt het Hof van Cassatie dat de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst, een verjaringstermijn is die vatbaar is voor stuiting of schorsing. Met toepassing van artikel 88 § 1, eerste lid van de Verzekeringswet bedraagt deze verjaringstermijn drie jaar. Het tweede lid van dat artikel bepaalt verder wanneer deze termijn begint te lopen en dat deze termijn in elk geval verstrijkt vijf jaar vanaf het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan.

Feiten

Het feit dat aan de grondslag van dit cassatiearrest ligt, is de verdwijning van een kunstwerk dat in bruikleen was gegeven aan een Antwerps museum. In 2016 werd dit kunstwerk opgeslagen in een depot van een Belgisch logistiek bedrijf. Nadat een ander kunstwerk van dezelfde kunstenaar was uitgeleend aan een Amerikaans museum, kwam in september/december 2018 aan het licht dat het betreffende kunstwerk spoorloos was. In 2019 werd bevestigd door het Belgische logistieke bedrijf dat het betreffende kunstwerk niet kon worden teruggevonden in het depot. 

Op 10 juni 2020 deed het Antwerpse museum vervolgens aangifte bij haar "eerste risico" verzekeraar. Blijkbaar was er na onderzoek immers gebleken dat het kunstwerk na een herverpakking in 2016 vermoedelijk per ongeluk vernietigd werd.

De verzekeraar gaf vervolgens op 23 oktober 2020 aan dat zij weigerde dekking te verlenen, maar formuleerde wel een regelingsvoorstel voor een bedrag van 30.000 euro.

Er kon echter geen minnelijke regeling gesloten worden tussen de verzekeraar, het Antwerps museum en de eigenaar van het kunstwerk. Bijgevolg gingen het Antwerpse museum en de eigenaar van het kunstwerk over tot dagvaarding van de verzekeraar.

 

Standpunt van de eerste rechter en het hof van beroep

De eerste rechter besliste in een vonnis van 5 mei 2023 dat de verzekeraar dekking diende te verlenen, maar dat de aanstelling van een gerechtsdeskundige noodzakelijk was voor de bepaling van de waarde van het kunstwerk. 

Het hof van beroep bevestigde dit in arrest van 29 oktober 2024. Het hof van beroep oordeelde dat er van verjaring geen sprake was. De verjaringstermijn nam volgens het hof van beroep immers pas een aanvang in september/december 2018 aangezien er volgens het hof van beroep geen bewijs was dat het Antwerpse museum of het logistiek bedrijf eerder op de hoogte waren van de verdwijning van het kunstwerk.

Bijgevolg was de aangifte van het schadegeval op 10 juni 2020 volgens het hof van beroep tijdig, met name binnen de drie jaar.

Dit had overeenkomstig artikel 89, § 3 Verzekeringswet als gevolg dat de verjaring vanaf dat moment gestuit werd.

Daarnaast stelt het hof van beroep dat de kennisgeving van 23 oktober 2020 door de verzekeraar met de weigering dekking en het regelingsvoorstel, beschouwd diende te worden als een beslissing die overeenkomstig artikel 89, § 3 Verzekeringswet de stuiting beëindigde, waardoor er een nieuwe verjaringstermijn van drie jaar was beginnen lopen. 

Bijgevolg was de dagvaarding van het Antwerps museum op 3 juni 2022 wel degelijk tijdig en is er geen sprake van een verjaring.

 

Het cassatieberoep van de verzekeraar

De verzekeraar tekende tegen dit arrest van het hof van beroep cassatieberoep aan, met als argumentatie onder meer dat er een schending zou zijn van artikel 88 Verzekeringswet. 

Met name meende de verzekeraar dat de verjaringstermijn reeds begon te lopen op het moment dat het kunstwerk werd vernietigd in december 2016. Daarnaast meende de verzekeraar dat deze verjaringstermijn overeenkomstig artikel 88, § 1, tweede lid Verzekeringswet een strikte vervaltermijn van vijf jaar is, die niet vatbaar is voor schorsing en stuiting. 

Met andere woorden meende de verzekeraar dat deze termijn van vijf jaar een "hakbijl" is, die niet vatbaar is voor schorsing of stuiting. 

Bijgevolg zou volgens de verzekeraar de dagvaarding op 3 juni 2022 wel degelijk laattijdig zijn.

 

Standpunt Hof van Cassatie

Het Hof van Cassatie oordeelt net zoals de eerste rechter en het hof van beroep dat vordering niet verjaard is. Meer bepaald verduidelijkt het Hof van Cassatie dat de vijfjarige termijn in artikel 88, § 1, tweede lid Verzekeringswet wel degelijk vatbaar is voor schorsing en stuiting.

Bijgevolg is dit geen strikte vervaltermijn zoals de verzekeraar trachtte voor te houden.

 

Het belang van dit cassatiearrest

Vooreerst bevestigt het Hof van Cassatie middels dit arrest ondubbelzinnig dat de vijfjarige termijn in artikel 88, § 1, tweede lid Verzekeringswet geen strikte vervaltermijn of hakbijl is.

Daarnaast legt deze uitspraak ook het spanningsveld en belangevenwicht bloot tussen de verzekeraar en verzekerde. Het is van groot belang om uw vordering tijdig in te stellen om uw rechten te vrijwaren.

Verder zet deze zaak ook de regels omtrent de verjaring op scherp en wordt binnen verzekeringsdossiers het belang aangetoond van de verschillende data en de handelingen die partijen moeten stellen binnen de strikte termijnen uit de Verzekeringswet. Zowel de schorsing als stuiting kunnen een aanzienlijke impact op deze verjaringstermijnen hebben. 

In onderhavig geval deed de stuiting een nieuwe verjaringstermijn ontstaan zodat de vordering wel tijdig was ingesteld.

 

 

Gerelateerde vakdomeinen

Bekijk alle vakdomeinen

Blijf op de hoogte!

Wenst u op de hoogte te blijven van de laatste inzichten van Caluwaerts Uytterhoeven, bezorg ons dan uw gegevens via het formulier hieronder.